Fibula

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfibyla/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding, geschiedenis (kleding) (geschiedenis) speld om kleren bij elkaar te houden
    Tweeduizend jaar lang bloeide de kunst van de fibula: de kledingspeld waarmee mantels en, jurken werden dichtgehouden. Tot in de elfde eeuw een nieuwe uitvinding doorbrak: de knoop. In Nederland alleen zijn er al 25.000 fibula’s teruggevonden.
  2. anatomie (anatomie) lang bot in het onderbeen, naast het scheenbeen
    De fibula is met het onderste deel van het scheenbeen verbonden bij de laterale gewrichtsknobbel van het scheenbeen.

Etymologie

*van Latijn "fibula"

Vertalingen

Fransfíbula
Spaansfíbula, fíbula