Faas

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. heraldiek (heraldiek) een der herautstukken; een horizontale band die het middelste derde deel van het veld van het wapen beslaat
    Een faas kan gegolfd, gepunt, verkort of getinneerd zijn en met andere stukken beladen.

Etymologie

*Afkomstig van Latijn "fascia".

Vertalingen

Engelsfess
Spaansfaja
Italiaansfascia
Portugeesfaixa
Japansフェス
Zweedsbjälke