Duiven

/ˈdœyvə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. duifachtigen (duifachtigen) een familie van meestal middelgrote, compact gebouwde vogels met volle, ronde borst en kleine kop. Ze hebben een snelle, meestal rechtlijnige vlucht. Ze kunnen in tegenstelling tot andere vogels water met de snavel opzuigen. De jonge duiven worden met duivenmelk uit de krop gevoerd. Het mannetje heet doffer en het vrouwtje wordt duivin of gewoon duif genoemd

Etymologie

* "duif" met de uitgang -en, waarbij de slotmedeklinker weer stemhebbend wordt

Uitdrukkingen

  • De gebraden duiven vliegen niemand in de mondiemand die luxe wil zal er voor moeten werken
  • Onder iemands duiven schieten.Iemand op een (haast) bedrieglijke manier tegenwerken|klanten bij een concurrent weghalen