Duit
mannelijk/vrouwelijk (de)/dœyt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (numismatiek) een Nederlandse munt van vóór het begin van de negentiende eeuw, een honderdzestigste deel van een guldenAcht duiten waren een stuiver waard, maar bij de VOC gingen er maar vier in een stuiver om smokkel door zeelui te voorkomen.Hij blijft dood op een duit.
Etymologie
* Leenwoord uit het Oudnoor(d)s, in de betekenis van ‘koperen munt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1268
Uitdrukkingen
- : duit
- : doi
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek