Donk

mannelijk/vrouwelijk (de)/dɔŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een heuvel bestaande uit dekzand die voorkomt in het laaggelegen rivierengebied en uitsteekt boven de latere sedimenten
    Twee aan elkaar gegroeide dorpen, die in de vroege middeleeuwen ontstonden op één langgerekte donk in het rivierkleigebied.
  2. moerassige plek
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) bundel in elkaar gedraaide draden of sprieten
    Reine had een groote houten hark gevat en overkamde daarmede de stoppels, de verstrooide arkens samengarend in ‘donken’, die ze tusschen de stuiken wierp.

Etymologie

*(m) herkomst onbekend