Christus
mannelijk (de)/ˈkrɪstʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- afbeelding van Jezus ChristusDe christus bij de ingang is van wit marmer.
- (krachtterm) in hoge mateWaar was je, ik heb christus vaak geprobeerd je te bellen.
Etymologie
*van "Christus", gespeld met een kleine letter volgens
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek