Christus

mannelijk (de)/ˈkrɪstʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. afbeelding van Jezus Christus
    De christus bij de ingang is van wit marmer.
  2. krachtterm (krachtterm) in hoge mate
    Waar was je, ik heb christus vaak geprobeerd je te bellen.

Etymologie

*van "Christus", gespeld met een kleine letter volgens