Chili
mannelijk (de)/ˈʃili/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) benaming voor planten uit het geslachtDe chili groeit overal; het is eene plant, die zeer veel verduren kan; de kunst bij de aankweeking doet dezelve wel in grootte toenemen , maar in kracht verminderen.
- (voeding) benaming voor pittige vrucht van een plant uit het geslacht Capsicum, soms ook gebruikt voor de niet pittige variantenSadiq beet in verse chili, het sap brandde in zijn mond.
- (kookkunst) pittige specerij bestaand uit gedroogde en gemalen vruchten van planten behorend tot het geslacht CapsicumRooster het komijnzaad in hete olie tot het kraakt. Voeg de courgette toe en roer en strooi chili, ketoembar en tarmeriek erdoor.
- (kookkunst) pittige saus gemaakt uit vruchten van planten behorend tot het geslacht CapsicumGelukkig is er genoeg voor de toeristen en gooien ze niet overal chili en silantro op (peterselie, gadver). (…) we verdenken er zelfs iemand van dat ze een lollie in de chili doopte...
- (voeding) stoofpot onder meer bereid uit vlees en vruchten van planten behorend tot het geslacht Capsicum, vaak met bonen en tomatenBinnen giet hij zijn glas flink vol, zet de tv aan en maakt iets te eten. Hij zit aan de tafel met chili en crackers en kijkt naar iets over een blinde detective. Hij ruimt de tafel af. Hij wast de pan en de schaal, droogt die spullen en bergt ze op, dan staat hij zichzelf toe een blik op de klok te werpen.
- (verouderd) (landbouw) kunstmest hoofdzakelijk bestaande uit natriumnitraat, gewonnen uit chilisalpeterNog vraagt de heer Koopmans of kunstmeststoffen den grond niet uitputten. De heer De Vrieze spreekt dit bepaald tegen. Toen de chili vroeger nogal duur was, liet men dikwijls één ot twee meststoffen achterwege en daardoor kreeg men slechte gewassen en kwam dat praatje in de wereld.
Etymologie
*[6]: verwijzing naar Chili, waar de grondstof eind 19e en begin 20e eeuw werd gewonnen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek