Bus
mannelijk (de)/bʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verkeer) vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers (autobus)Ik was overdonderd door alle toeristen in het bezoekerscentrum. Ze arriveerden in bussen, maakten foto’s, kochten ijsjes en snelden in hun witte shirts door naar een volgende attractie.
- blikken bewaardoos waarvan de hoogte groter is dan de breedte, vaak met de vorm van een cilinder
- collectebus
- postbus, brievenbusDe brief rook vaag naar een ongewoon parfum en had ezelsoren, alsof Marjorie Quick hem een paar dagen in haar handtas had bewaard, voordat ze uiteindelijk had besloten hem op de bus te doen.Het is mijn Senegalese buurman met een envelop die per ongeluk in zijn bus was beland.
- (informatica) een standaardmethode voor het verbinden van de onderdelen van een computer
Etymologie
*[verkeer]: Latijn: omnibus: voor iedereen
Uitdrukkingen
- Dat klopt als een bushttps://onzetaal.nl/schatkamer/lezen/uitdrukkingen/dat-klopt-als-een-bus — het is helemaal correct
- Dat sluit als een bus — het is helemaal correct
- Flink in de bus blazen — veel geld uitgeven
- uit de bus komen als — blijken of schijnen te zijn
- onder/voor de bus gooien — iemand verraderlijk opofferen
Vertalingen
DuitsAutobus, Bus, Omnibus
Spaansautobús, bus
Russischавтобус
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek