Brus

mannelijk/vrouwelijk (de)/brʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. familie (familie) een ander kind van dezelfde ouders, m.n. wanneer diegene zorgtaken op zich neemt
    De gehandicapte Anna heeft drie brussen die voor haar zorgen.

Etymologie

*Samenvoegsel van de Nederlandse woorden broer en zus.

Vertalingen

Engelssibling
Fransadelphe
DuitsGeschwister
Turkskardeş
Zweedssyskon