Braam
mannelijk/vrouwelijk (de)/bram/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) , braamstruik
- (fruit) Rubus, zwarte vrucht van de braamstruikBramen zijn zwart van kleur, braambozen zijn zoeter en roder.
- ruwe, ongelijke rand aan een van een metalen voorwerp, die eigenlijk glad hoort te zijnHij heeft de wedstrijd verloren omdat er een braam op zijn schaats zat.
- (m) (straalvinnigen) bepaald soort Europese zoetwatervis
- (m) (straalvinnigen) benaming voor zeevissen uit de familie
Etymologie
*[4] wellicht van Latijn "brama" of van dezelfde oorsprong als brasem
Vertalingen
Engelsblackberry, burr
Fransronce, mûre, bavure
DuitsBrombeere, Grat
Spaansmora, zarzamora, rebaba
Italiaansmora
Portugeesamora
Russischежевика
Chinees黑莓
Japansブラックベリー
Koreaans블랙베리
Arabischتوت العليق الأسود
Turksböğürtlen, diken dutu
Poolsjeżyna
Zweedsbjörnbär
Deensbrombær
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek