Bovist
mannelijk (de)/boˈvɪst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (mycologie) van oudsher gebruikt als benaming voor verschillende ronde, sponzige stuifzwammen
- (steeltjeszwammen) benaming voor paddenstoelen uit het geslacht
Etymologie
*van Middelnederlands "bovijste"
Vertalingen
Spaansbejín, cuesco de lobo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek