Booster
mannelijk (de)/ˈbustər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- apparaat waarmee een signaal of een geluid sterker wordt gemaaktBoosters zorgen er voor dat het zendvermogen stijgt van 2 watt als de telefoon los wordt gebruikt, tot 8 watt (respectievelijk 1 en 6 watt voor ATF3) als het apparaat is gekoppeld aan zo'n booster. Boosters maken het bovendien mogelijk om zaktelefoons in een auto te gebruiken.In dezelfde nacht zijn een radiocassettespeler en een booster met een totale waarde van ƒ600 ontvreemd uit een geparkeerde auto in de Konvooistraat.Om deze kansen nog te verhogen is het mogelijk een zgn. booster, een antenneversterker, tussen te schakelen. Het door de weersomstandigheden soms zwaar vermagerde signaal wordt hierdoor versterkt aan de ontvanger toegevoerd, meestal juist in zo'n sterkte, dat een redelijk beeld mogelijk is.
- (techniek) hulpraket die extra stuwkracht geeftZo'n booster valt als een overbodig aanhangsel van de raket af als zijn taak volbracht is.
- (verkeer) stoel op onderstel die rijdt op een accu, vooral handig voor mensen die problemen krijgen met lopenOm toch lekker zelfstandig haar boodschappen in het dorp te kunnen doen, schaft zij een scootmobiel aan via Marktplaats. Omdat er in de ruime gemeenschappelijke hal al zo'n booster staat, parkeert zij die van haar daar naast.
Etymologie
*van "booster", in de betekenis 'versterker' aangetroffen vanaf 1956 (zie vindplaats hieronder)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek