Bonnet

mannelijk/vrouwelijk (de)/bɔˈnɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoofddeksel (hoofddeksel) soort muts
    De bonnet van een kardinaal heeft vier opstaande randen.

Etymologie

* via Middelnederlands "bonette" van "bonet", vergelijk "bonnet"; in de betekenis van ‘muts’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477