Bolster

mannelijk (de)/ˈbɔlstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plantkunde (plantkunde) ruwe huls van een noot of kastanje
    Als je de kastanjes kookt, springt de bolster gewoonlijk open.
  2. kaf, nutteloze hulzen van graan of peulvruchten
  3. een met kaf gevuld kussen
  4. de bovenste, als turf niet bruikbare laag van hoogveen
    De bolster werd na voltooiing van de afgraving vermengd met de onderliggende zandgrond.
  5. scheepvaart (scheepvaart) zijdelings tegen de voorsteven geplaatste klos of kardoes waarop de boegspriet rustte

Etymologie

*Germaans ƀulstraz

Uitdrukkingen

  • Ruwe bolster, blanke pitIemand die wat nors/onvriendelijk overkomt, maar een goede inborst blijkt te hebben

Vertalingen

Engelshusk
Fransbrou
DuitsSchale
Spaanscáscara
Zweedsskal