Bloem

vrouwelijk (de)/blum/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een deel van plant met zaden
    Jongens, pas op dat jullie de bloempjes niet vertrappen!
    Als de hommel de bloem nadert, kantelen de haartjes ruwweg in de richting van de bloem, en dat activeert zenuwcellen. NRC 31 mei 2016
    Op de overloop boven aan de trap stond een grote vaas met plastic bloemen.
  2. fijngemalen gezeefd poeder, meestal van granen
    Voor dit recept kun je een normaal pastadeeg gebruiken, wat je maakt van 300 gram bloem (geschikt voor pasta) en drie eieren. Sam de Voogt NRC 19 mei 2016
  3. beste deel uit een groot geheel
    Dit gedicht staat in alle bloemlezingen.
    De studenten zijn de bloem van de natie.

Etymologie

:Oost: : blōma

Uitdrukkingen

  • iemand in de bloemetjes zetten
  • Aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemenDe beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico's
  • De bloemetjes buiten zettenHet er goed van nemen, flink aan het feesten zijn
  • De vruchten zullen de beloften der bloemen overtreffenHet is nu al goed, maar het eindresultaat wordt nog veel beter
  • Geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kuntGelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen
  • Laat duizend bloemen bloeienAllerlei verschillende inzichten kunnen samen leiden tot een goede oplossing
  • Meisjes die bloemen dragen, mag je kussen zonder te vragenZich mooier voordoen dan men is, is vragen om moeilijkheden
  • Ook tussen de mooie bloemen groeien brandnetelsDe schoonheid van de omgeving biedt geen garantie voor onaangename zaken

Vertalingen

Engelsflower, flour
Fransfleur, farine
DuitsBlume, Mehl
Spaansflor, harina
Italiaansfiore, farina
Portugeesflor, farinha
Turksçiçek
Poolskwiat, maka
Zweedsblomma, mjöl
Deensblomst, mel