Bies

mannelijk/vrouwelijk (de)/bis/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een smal boordsel op een kledingstuk, smalle strook stof aan de rand van een kledingstuk
    De vrouw versierde en beschermde het kledingstuk fraaie zijden bies.
  2. bloemplanten (bloemplanten) een geslacht uit de cypergrassenfamilie (). De soorten uit dit geslacht hebben een kosmopolitisch verspreidingsgebied en komen dus bijna overal ter wereld voor
  3. een steel van de bies
  4. een smalle en rechte versieringslijn

Etymologie

* In de betekenis van ‘boordsel aan kleding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1854

Uitdrukkingen

  • Weggaan, wegwezen, zich uit de voeten maken.

Vertalingen

Franspassepoil
Spaansgalón, pasamano, junco
Russischкамыш