Bezaan

mannelijk/vrouwelijk (de)/beˈzan/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) de langsgetuigde, achterste mast van een zeilschip
  2. scheepvaart (scheepvaart) het zeil in de achterste mast van een zeilschip
    Met bezaan wordt vaak de complete mast met zeil bedoeld.

Etymologie

* In de betekenis van ‘achterste gaffelzeil’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1480

Vertalingen

Engelsmizzenmast, mizzen, jigger
Fransmât d'artimon, voile d'artimon
DuitsBesanmast, Besan