Bevrijdingsdag
mannelijk (de)/bəˈvrɛidɪŋzˌdɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- datum waarop een eind komt aan de bezetting door een vreemde overheerserOp bevrijdingsdag was hij er bij toen op het Spui in Den Haag de inboedel van het NSB-kringhuis op straat werd gesmeten en in brand gestoken (…).
- datum waarop een eind komt aan een periode met ernstige vrijheidsbeperkingenMet jaloersmakende zelfverzekerheid hief de Deense regering dinsdag in één klap alle coronamaatregelen op. De Denen wierpen hun mondkapjes af en vierden net als vorig jaar in september bevrijdingsdag.
- datum waarop de bevrijding van een vreemde overheerser wordt gevierd
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek