beëlzebub

mannelijk (de)/beˈʔɛlzəˌbʏp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon (persoon) iemand die anderen angst aanjaagt
    Mertens maakt zich tot een beëlzebub in de gedaante van zijn duivel.
  2. primaten, verouderd (primaten) (verouderd) bepaald soort Zuid-Amerikaanse aap,
    De maki is een vreemde aap, gelijk zijn broeders, de brulaap en de beëlzebub.

Etymologie

*(eponiem) van "Beëlzebub"

Vertalingen

Spaansbelcebú