Batterij

vrouwelijk (de)/bɑtə'rɛɪ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elektronica (elektronica) een elektrotechnische component waarin elektrische energie kan worden opgeslagen
    We kennen oplaadbare batterijen die je vele keren kunt gebruiken en batterijen die je maar één keer kunt gebruiken.
    In België kan de batterij van je auto leeg zijn zodat de auto niet meer kan starten, in Nederland noemen we dat een lege accu.
  2. militair (militair) een opstelling van zware wapens op het slagveld
    De infanterie beschikt over een krachtige batterij.
  3. schaak (schaak) een situatie waarin twee stukken elkaar verdedigen
  4. veeteelt (veeteelt) een plek waar op grote schaal kippen worden gehuisvest
    In deze batterij zitten duizenden kippen.
  5. een groot aantal
    Er was een hele batterij krantenbezorgers nodig om de zaterdagkrant op tijd te bezorgen.
    En als er een relletje dreigt uit te breken, dan gooit de reisbranche er subiet een batterij advocaten tegenaan.

Etymologie

*Van het Franse batterie, dat is afgeleid van het Oudfranse werkwoord batre, "slaan", wat weer teruggaat tot het Latijnse battuere;

Uitdrukkingen

  • Ik heb geen energie meer om nog iets te doen.

Vertalingen

Engelsbattery
Franspile
DuitsBatterie
Spaansbatería, pila
Italiaansbatteria
Portugeescélula electroquímica
Poolsbateria
Zweedselektrokemisk cell
Deensbatteri