Ars
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑrs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vaardigheid die door aanleg en oefening ontwikkeld isMeestal gebruikt als verwijzing naar een specifieke vaardigheid die eerder met een aanvullende bepaling in het Latijn is aangegeven.De natuur schenkt ons de deugd niet: het is een ars goed te wordenIn de ‘Commemoratio brevis de tonis et psalmis modulandis’ (10e eeuw) wordt de wetenschap van de muziek, de ‘ars musica’, niet alleen genoemd als nuttige richtlijn voor de analyse van het gregoriaans, maar ook als uiting van een opdracht aan de gelovigen: “Wij dan, die waardig bevonden zijn om woorden van goddelijke majesteit in de mond te nemen: is het niet zo dat wij zonder ars en onverschillig de gezangen van heiligheid voordragen, terwijl wij veeleer de schoonheid van de ars in heilige zaken zouden moeten toepassen, welke zij (de wereldlijke muzikanten) misbruiken voor hun beuzelarijen? (…).
- (geschiedenis) (klassieke oudheid) systematisch leerboek voor een bepaalde vaardigheidK. Barwick, "Das Problem der isokrateischen Techne", (Philologus 107 (…) bewijst (1) dat Isokrates nooit een ars geschreven heeft (2) dat hellenistische vermeldingen van een ars onder zijn naam op een misverstand berusten (3) dat de later in omloop zijnde ars uit de eerste helft van de eerste eeuw na Chr. stamt en door Quintilianus 111,1,14 voor het eerst wordt genoemd.
Etymologie
*van Latijn "ars"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek