Arameeër
mannelijk (de)/araˈmejər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- lid van het volk Aram-2 (10×: Gen. 25:20 +, Deut. 26:5, 2 Kon. 5:20 +)
Etymologie
* Herkomst: Hebreeuws (gangbare Nederlandse versie), letterlijk: afleiding van 'Aram'
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek