Abeel
mannelijk (de)/aˈbel/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort loofboom, uit het populierengeslacht
Etymologie
*van Middelnederlands "abele" / "abeelen", ontleend aan "aubel" / "albel" / "abel", in de betekenis van ‘populier’ aangetroffen vanaf 1240
Vertalingen
EngelsWhite Poplar
Franspeuplier blanc, peuplier de Hollande, grisaille
DuitsSilberpappel
Spaansálamo blanco
Italiaanspioppo bianco
Zweedssilverpoppel
Deenssølv-Poppel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek