Aalbes
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈalbɛs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) een plant met opvallend geelgroene bladeren, oorspronkelijk uit West-Europa
- (fruit) bes van die struikVan aalbessen kunnen we aalbessenjam maken.
Etymologie
* In de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1500
Vertalingen
Engelsredcurrant
Fransgroseille rouge, groseille
Duitsrote Johannisbeere, Johannisbeere
Spaansgrosella roja, grosella
Italiaansribes rosso, ribes
Portugeesgroselha
Russischкрасная смородина
Turksfrenküzümü, frenk üzümü
Poolsczerwona porzeczka
Zweedsvinbär
Deensrode bær, rode bær, ribes
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek