Aak
mannelijk (de)/ak/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- bepaalde soort esdoorn, in het overgrote deel van de gevallen Spaanse aak
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg meestal gebruikt om vracht te vervoeren, vrachtschipOnze kapitein navigeert naar een mooie ligplaats met zicht op de drijvende péniche-épicerie, een bijna honderd jaar oude Hollandse aak, de superette van het dorp en bij vaarders al net zo bekend als de boekenwinkel ertegenover waar je meer dan 50.000 antieke werken en tienduizenden oude postkaarten vindt. de Standaard 12 MAART Hugo Van HeddeghemAmbtenaren van de gemeente West Maas en Waal komen een kijkje nemen, net als de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het consortium dat verderop aan het baggeren is. De burgemeester van de gemeente West Maas en Waal laat zich bijpraten. Natuurlijk branden ze allemaal van nieuwsgierigheid. De eerste gedachte is een rivierpraam of aak van vijftien tot twintig meter, daterend uit de elfde tot zeventiende eeuw. Stiekem denken ze aan het duizend jaar oude schip dat in 1930 in Utrecht werd gevonden en sindsdien een van de pronkstukken is van het Centraal Museum. Zou dit ook zo'n uniek exemplaar zijn? Volkskrant Bart Dirks 7 september 2015,
- (Friesland) klein roei- of zeilvaartuig, bestemd voor de visserij mee bedoeld J. van Beylen, P.A. de Grootte, Anthony van Kampen, J.A.M. Kramer, L.L. von Münching. Maritieme Encyclopedie , C. de Boer Jr., Bussum.
Etymologie
*[B] van oudere vorm "naak", in de betekenis van ‘schip’ aangetroffen vanaf 1520
Vertalingen
EngelsRhinebarge, barge
Franspéniche, chaland
DuitsAhorn, Kasten, Schleppkahn
Spaanschalana, barcaza, chata
Italiaansbarca, chiatta, chiatta rimorchiata
Russischбаржа
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek